Primeur in Parijs Print E-mail

Tijdens de oorlog is de totale productie bij Citroën gedaald tot slechts 1.600 wagens in 1945. Hierdoor kon de Franse autofabrikant zelfs plaats bieden aan het Rode Kruis. Na de oorlog heeft Automobiles Citroën zijn zaken weer redelijk snel op orde en werkt het bedrijf verder aan de 2CV. Omdat het model nog niet klaar is voor productie, toont Citroën op de Autosalon van Parijs in 1946 alleen drie Traction Avant-varianten: de 11B (Normale), de 11BL (Légère) en de 15 Six G.

De productie komt weer op gang en in 1946 worden er 12.600 auto’s gebouwd. Deze stijgende lijn zet zich voort en het jaar daarna rollen er 22.878 wagens van de band. Veel mensen weten dan nog steeds dat Citroën vóór de oorlog met het TPV-project bezig was, maar de fabrikant ontkent dat men een kleine auto aan het ontwikkelen is. Ook als in 1948 de Salon de l’Automobile er weer aankomt, rept het bedrijf met geen woord over de Deuxchevaux. Lang ziet het er naar uit dat Citroën de 2CV opnieuw niet zal presenteren. Pas op 6 oktober, één dag voor de opening van de beurs, wordt de auto eindelijk het Grand Palais ingereden.